Mijn foto

Laatste reacties

  • Laura Aah.. ik moet zelfs een traa
  • Daphné Mijn innige deelneming... D
  • Esther He, wat rot voor jullie zeg!
  • Eva ahhhhh... is die lieverd doo
  • Joska :( T was zo'n schatje! Jull
  • Bert "Enkele bezoekers zitten ach
  • Alieke lieve Hann, alle baby's zij
  • Daphné :-) Dankje voor het baanbre
  • Fieke En zo is het! Groetjes, Fi
  • Laura aaah dat is echt vervelend z

Vier uur 's middags. De bel gaat en Melle praat door de intercom. "Wacht, ik kom eraan." Dan kijkt hij naar mij. "Loop je even mee? Het gaat over Boris." Ik veer op. Eindelijk!

Als we in de hal komen, zien we drie kinderen staan, twee meisjes van een jaar of zes en, aan de hand van een van hen, een veel jonger jongetje. "Hij ligt in de sloot, hij is bevroren." De meisjes vertellen hoe ze Boris hebben gevonden: "Mijn grote broer zag hem eerst," zegt de ene. "We gaan altijd zoeken als we een briefje zien," vervolgt de ander.

In haar hand zie ik het papier met een zwart-witfoto van Boris. Heb je mij gezien? staat boven de foto. En onderaan: Wij missen hem heel erg, dus we hopen dat je ons belt als je denkt Boris te hebben gezien. Wel vijftien van deze vellen papier heb ik de afgelopen week opgehangen, in de hoop dat iemand hem zou vinden.

Melle en ik lopen mee naar buiten. "We hoeven geen beloning," zegt een van de meisjes. "Daar doen we het niet voor; we zijn altijd blij als we weer een kat vinden." We hebben hier te maken met een serieus opsporingsteam.

De eerste straat gaan we links. We komen nog veel meer kinderen tegen, die allemaal hetzelfde te horen krijgen: "Wij hebben hun kat gevonden. Dood. Hij ligt in de sloot." De kinderen sluiten zich aan, tot we bij een zandhelling aankomen. Onderaan loopt een sloot. "Daar ligt 'ie." Ze wijzen naar beneden. "Hij heeft een roze bandje." Boris, onze homokat.

Dan gaan ze naar beneden, de hele meute kinderen, gevolgd door Melle. Hij komt als eerste terug en houdt een zwart hoopje kat in de lucht alsof hij een buit heeft gevangen.  Het wit in Boris' gezicht is bruin geworden door het slootwater en zijn ogen staan dof, maar het is hem, onmiskenbaar. Dood.

Ik probeer me in te houden, maar begin te huilen. Te midden van wel acht kinderen. Het meisje dat geen beloning wilde, slaat haar arm om mijn schouder en zegt zacht: "Dat doet pijn hè? Ik weet hoe je je voelt." Ze vertelt over de kat op haar ouders' boerderij in Marokko, die aangereden is. Ook het andere meisje weet hoe het voelt, want zij heeft wel drie goudvissen verloren en in de tuin begraven.

We lopen naar huis, in een stoet. Voorop Melle met Boris in zijn armen, de twee meisjes en ik er vlak achteraan. Daarachter kinderen op rolschaatsen, kinderen met fietsen en kinderen te voet. Bij de deur van de flat nemen we afscheid. "Wat gaan jullie nu met hem doen?" vraagt het meisje van de goudvissen zich af.
"We zullen hem begraven," beloof ik haar, "op een mooie plek in het bos."

21 februari 2010

Een godswonder

We zitten in ons favoriete theehuis, Himalaya. Het is de eerste keer sinds de bevalling en we moeten nog even wennen aan de extra ruimte die we met rolstoel én kinderwagen innemen. Gelukkig is er een tafel vrij waar de kinderwagen naast past. Net als onze thee wordt bezorgd, komt er beweging in de wagen en enkele seconden later horen we het ook: Jonne heeft honger.

Als Melle Jonne oppakt, zie ik een aantal bezoekers vertederd naar het tafereel kijken. Zo'n kleine baby zie je niet vaak in het openbaar. Een van de werkneemster spreekt Melle aan: "Is dat jouw kindje?"
"Ja," zegt Melle, "dit is ons kindje."
De vrouw krijgt een rode blos op haar wangen en verontschuldigt zich tegenover mij. "Goh, heb ik je dan al zó lang niet gezien?" Ik mompel dat ik er wel een paar keer ben geweest terwijl ik zwanger was en trek mijn t-shirt opzij. Twee seconden later ligt Jonne vredig aan mijn borst te drinken. Enkele bezoekers zitten achterstevoren op hun stoel. Er wordt gefluisterd.   

Vrouwen met een handicap krijgen geen kinderen. Dat is het beeld dat bij 98 procent van onze samenleving leeft. Onze buurvrouw, een Surinaamse vrouw van boven de tachtig, zag ons laatst gedrieën de lift uitkomen. "Is dat jullie kindje?" vroeg ze verbaasd. Ik beantwoordde haar vraag bevestigend. Toen vroeg ze of Jonne geadopteerd was.
"Nee hoor," zei ik trots, "We hebben haar helemaal zelf gemaakt!".
"Weet je het zeker?"
"Ja hoor, heel zeker!"
Onze buurvrouw sprak van een godswonder: "Jij zit in een rolstoel, maar bent er toch in geslaagd een kind te baren!"

Moeders achter kinderwagens lachen altijd collegiaal naar Melle, nooit naar mij. Zelfs als we Melle en ik arm in arm achter de kinderwagen lopen, zie je mensen denken: 'Is zij zijn zus? Passen ze op het kind van iemand anders? Hoe zit dit?'

Gelukkig houd ik van beeldvormen. Ik leg Jonne overal aan en rijd trots met haar naar de bar om af te rekenen. Aan de conducteur vraag ik of mijn dochter ook over de oprijdplank mag rijden. Dit alles met een brede lach, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Want dat is het eigenlijk ook!